Skip to main content

Komende tijd delen de co-auteurs van Permiso, expertisecentrum vergunningen en Bisschop + Partners op LinkedIn zeer regelmatig informatie uit ‘Tussen Wet en Werkelijkheid’, ons nieuwe handboek voor milieuvergunningverlening.

Met deze nieuwsbrief zorgen we er maandelijks voor dat je niets van deze informatie hoeft te missen en alles makkelijk terug kunt vinden. Heel veel leesplezier!

Voor een overzicht van alle posts met informatie uit het handboek milieuvergunning kun je terecht bij Nieuws.

Geïnteresseerd in het handboek zelf? Ga dan naar Boek.

Deze maand bevat de nieuwsbrief de antwoorden op deze vragen over milieuvergunningverlening:

Wat is een milieubelastende activiteit (mba)?

📘 De wet: Een milieubelastende activiteit (mba) is kort gezegd een activiteit die een negatief effect heeft op het milieu. Uitgezonderd zijn lozingen die niet op de riolering plaatsvinden en wateronttrekkingen. Mba is een breed begrip en reikt van grote industriële installaties tot een kapperszaakje of een tank met propaangas.

Er zijn drie typen mba’s:
▪️ Aangewezen in H3 van het Bal (landelijke regels)
▪️ Aangewezen in het Omgevingsplan (decentrale regels)
▪️ Niet aangewezen, maar wel milieubelastend (vallen onder algemene regels, met name de zorgplichten)

🏭 De werkelijkheid: Mba’s worden vaak uitgevoerd bij bedrijven, maar ook door particulieren. Want ook kleinschalige mba’s kunnen een negatief effect op het milieu hebben. Denk bijvoorbeeld aan het wassen van je auto, waarbij het water-en-zeepmengsel wegloopt naar het riool. Maar ook het luid afspelen van muziek. En wat dacht je van de hout-, gas- of pelletkachel die in de winter zo gezellig kan branden? Voor mba’s die je als particulier in of bij je woningen doet, gelden meestal geen algemene regels uit het Bal. Maar wél de zorgplicht uit de Omgevingswet, want iedereen draagt verantwoordelijkheid voor een veilige en gezonde leefomgeving.

Hoe houdt milieuvergunningverlening rekening met energie?

📘 De wet: Om de doelen van de energietransitie te halen is het energieverbruik bij gebouwen aangewezen als milieubelastende activiteit (mba) in het Bal. Dit geldt niet als het bij een woning is of als het is aangewezen bij een andere activiteit van hoofdstuk 3 Bal. Dit laatste is vaak het geval als het een activiteit betreft met een hoog energieverbruik.

Zowel als aparte mba, of als onderdeel van een andere mba, moet voldaan worden aan de algemene regels in de module ‘verduurzaming van het energie- verbruik benoemd in hoofdstuk 5. Deze module stelt dat als het energieverbruik boven een bepaalde grens komt, er maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik moeten worden getroffen.

🔋De werkelijkheid: De (technische) ontwikkelingen op het gebied van energieopwekking gaan erg snel. Naast windturbines en zonnepanelen zijn er nog andere vormen van duurzame energie waar je als vergunningverlener mee te maken kunt krijgen. Bijvoorbeeld het winnen van biogas uit mest of rioolslib, het vergisten van groenafval of het omzetten van afgewerkte frituurolie tot biodiesel; het gebruik van aard- of restwarmte uit de industrie; of het omzetten van windenergie naar groene waterstof. Ook is de verwachting dat steeds meer bedrijven energie gaan opslaan in een energieopslagsysteem (EOS) zoals bijvoorbeeld batterijen.

Aanvragen voor dit soort activiteiten kunnen variëren van een eenvoudig plannetje voor een proefneming tot een grootschalige industriële installatie. Soms is het lastig om die aanvragen te beoordelen, simpelweg omdat je niet overal verstand van kunt hebben. Zoek dan collega’s die eerder met dit soort activiteiten te maken hadden, of naar een specialist op het gebied van duurzame energie.

Schrijf je een vergunning voor een mba waarvoor deze module niet is aangewezen, maar waarvoor je regels over energiebesparing wel wenselijk vindt? Neem energiebesparingsmaatregelen dan als voorschrift op.

🤔 Wat vind jij: hoe ver vind jij dat een vergunningverlener hierin mag gaan?

Wat houdt de fysieke leefomgeving in?

📘 De wet: Wellicht apart, maar de Omgevingswet kent geen afgebakende definitie van de fysieke leefomgeving. In de wet staan staat een opsomming van onderdelen die in elk geval onder de fysieke leefomgeving vallen. Zoals bijvoorbeeld bouwwerken, infrastructuur, water en bodem. De wetgever heeft gekozen voor een ‘in ieder geval’-formulering om het toepassingsbereik van het Omgevingswetstelsel flexibel te houden.

De fysieke leefomgeving is alles om ons heen waar we wonen, werken en recreëren. Denk aan gebouwen, wegen, parken, water, lucht en bodem. Maar ook aan milieuaspecten zoals geluid, veiligheid, energiegebruik en natuur. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving bepaalt in grote mate hoe gezond, veilig en prettig onze omgeving is. Als vergunningverlener is je taak/missie om te zorgdragen voor een gezonde, veilige en schone fysieke leefomgeving.

🌳 🏭 De werkelijkheid: Vergunningverleners zitten soms vol ambities. De wil om bij te dragen aan een goede fysieke leefomgeving kan sterk aanwezig zijn. Bijvoorbeeld omdat zij zich zorgen maken om de kwaliteit van de leefomgeving in hun werkgebied, of grotere thema’s zoals het klimaat. Wat de reden ook is, dat idealisme leidt regelmatig tot de wens om in een vergunning net dat stapje verder te zetten. Bijvoorbeeld door voorschriften aan een vergunning te verbinden die strenger zijn dan de eisen in de wet- en regelgeving. Of door maatregelen te eisen die verder gaan dan de vastgestelde beste beschikbare technieken (BBT).

Maar als vergunningverlener moet je op zoek naar het evenwicht tussen alle botsende belangen. We hebben de fysieke omgeving ook nodig voor bijvoorbeeld economische activiteiten en recreëren. Deze activiteiten dragen bij aan werkgelegenheid en economische ontwikkeling en hebben ook maatschappelijke waarde. Als vergunningverlener kun je je werk niet altijd uitvoeren in lijn met je idealen. Als er geen wettelijke grondslag is om een vergunning te weigeren, dan moet deze worden verleend. Ook als het gaat om vervuilende industrie of afvalverwerkende bedrijven. Uiteindelijk zijn deze bedrijven toch ook nodig. Als vergunningverlener is de vraag daarom vaak niet óf, maar hoe je een milieubelastende activiteit vergunt. Daardoor is het werk wellicht niet zo ‘groen’ als je graag zou willen, maar lever je hiermee wel een belangrijke bijdrage aan een gezonde leefomgeving.

🤔 Wat vind jij? Hoe zorg jij als vergunningverlener voor een goed evenwicht tussen een goede fysieke leefomgeving en daarmee botsende maatschappelijke en economische belangen?

Wat zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

🔎 Wat zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? In ons nieuwe handboek voor milieuvergunningverlening ‘Tussen Wet en Werkelijkheid’ vind je antwoord op dit soort vragen. Als medeauteur geef ik je alvast een voorproefje van het boek.

📘 De wet: De ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ zijn geschreven (in wetten vastgelegde) en ongeschreven (in de rechtspraak ontwikkelde) gedragsregels waar bestuursorganen zich aan moeten houden. Deze regels moeten garanderen dat de overheid geen misbruik maakt van haar machtspositie. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur bestaan uit:

  • ✔️Zorgvuldigheidsbeginsel
  • ✔️Beginsel van fari play / verbod op vooringenomenheid
  • ✔️Verbod op willekeur / ‘Détournement de pouvoir’
  • ✔️Vertrouwensbeginsel
  • ✔️Rechtszekerheidsbeginsel
  • ✔️Evenredigheidsbeginsel
  • ✔️Motiveringsbeginsel
  • ✔️Gelijkheidsbeginsel

🏭 De Werkelijkheid: Als vergunningverlener moet je je altijd bewust zijn van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In je dagelijkse werk krijg je vooral te maken met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Als vergunningverlener ben jij immers eindverantwoordelijk voor het verzamelen van alle benodigde informatie.

Jij moet dus bij een onvolledige aanvraag bepalen welke informatie je opvraagt om een goed gemotiveerd besluit te kunnen nemen. Zodra je alle benodigde informatie hebt en je dus aan het zorgvuldigheidsbeginsel hebt voldaan, komt het motiveringsbeginsel in zicht. In de motivering van de vergunning geef je aan in hoeverre de aanvraag voldoet aan het toetsingskader en hoe je dit hebt vastgesteld. Stel jezelf tijdens het schrijven van je beschikking in elk geval telkens de vraag: kan ik dit uitleggen? Aan mijn collega de jurist, aan mijn adviseurs, aan de rechter? Maar zeker ook aan de verschillende belanghebbenden die naar de rechter zouden kunnen stappen? Kan ik aantonen dat ik alle aspecten en belangen heb meegewogen voordat ik deze keuze maakte en deze norm oplegde (of juist niet)?

Als het antwoord ‘ja’ is en je dus elk aspect van je vergunning goed kunt uitleggen, dan weet je dat je aan het zorgvuldigheids- én motiveringsbeginsel hebt voldaan.

🤔 Wat vind jij? Welk beginsel vind jij in de praktijk het lastigst om goed toe te passen?